Blog: I have a dream: parkeren na COVID-19

Je hoort en leest het veel: de wereld zal nooit meer hetzelfde zijn. Wie het nu al weet, mag het zeggen. Maar dat grote gebeurtenissen structurele veranderingen teweeg kunnen brengen is evident. Na natuurrampen, oorlogen of andere crises keert veel weer naar het oude terug, maar zien we ook structurele veranderingen. Zo is onze kijk op banken bijvoorbeeld na de financiële crisis van 2008 flink veranderd en is wetgeving aangepast.

Door Ernst Bos (Spark)

Foto: Krsto Jevtic

De roep om maatregelen nu bevestigt nog eens het ongemak dat altijd al onderdeel is van de discussie over betaald parkeren. Wie betaalt de kosten van parkeren en is dat redelijk? Ik las een pleidooi om parkeren voor zorgmedewerkers gratis te maken. Het college van B&W werd opgeroepen om bij de directie van het plaatselijke ziekenhuis opschorting van betaald parkeren te bepleiten. Een sympathieke gedachte natuurlijk, maar heeft het ziekenhuisbestuur nu niet iets anders aan z’n hoofd? En wie draait dan op voor de kosten? Het ziekenhuis zelf, te betalen uit het zorgbudget? De gemeente met een subsidie vanuit de algemene middelen? Het maakt het eeuwige dilemma bij betaald parkeren weer manifest; wie betaalt de kosten? En als dat niet de parkeerder is, wie dan wel? De overheid en dus iedereen met én zonder auto? Ondernemers die door het sterk veranderende winkellandschap en de coronacrisis voorlopig wel voldoende financiële uitdagingen hebben? Ziekenhuizen, scholen en universiteiten ten laste van zorg- en onderwijsbudgetten?

Het antwoord ligt bij de meest existentiële vraag: waarom moet er door gebruikers van parkeervoorzieningen betaald worden? Het antwoord is tweeledig. Er worden kosten gemaakt en iemand moet die betalen. Als dat niet de parkeerder is, dan is het altijd iemand anders. Maar ook omdat betalen het gebruik reguleert. Door een prijs voor parkeren te rekenen, wordt gepoogd het (ongewenste) gebruik terug te dringen. Omdat we milieudoelstellingen hebben, beperkte ruimte of de leefbaarheid willen dienen met meer groen en water in plaats van parkeerplaatsen. Betaling wordt in dit geval gebruikt om mensen te bewegen om andere vervoerskeuzes te maken. Vaker de fiets te pakken of het openbaar vervoer. En hier wringt de schoen het hevigst. Het laten betalen voor parkeren gaat namelijk ook over inkomenspolitiek en de vraag of iemand überhaupt een keuze heeft om de auto te laten staan. En al helemaal nu. Want juist nu willen we al die mensen met een vitaal beroep geen strobreed in de weg leggen als ze van de auto gebruik moeten maken. Mobiliteitsbeleid is even geen prioriteit.

Een parkeerrecht voor iedereen die dat nodig heeft
De oplossing voor de toekomst zou kunnen liggen in een strikte scheiding tussen reguleren van parkeerruimte en betalen. Het recht op een parkeerplaats in het openbare domein is niet afhankelijk van de vraag of je het kan betalen. Een recht heeft een bewoner die nu ook recht heeft op een parkeervergunning. Voor visite is voor een redelijk aantal uren per jaar parkeerruimte beschikbaar, evenals voor mantelzorgers. Bij bezoek aan winkels en horeca kan geparkeerd worden voor de duur die noodzakelijk is. Iedereen die voor zijn werk echt afhankelijk is van de auto krijgt parkeerrechten. En dat geldt zeker voor leerkrachten, verpleegkundigen en artsen, politieagenten en al die andere beroepsgroepen die we nu als vitaal hebben bestempeld. Alle andere automobilisten die geen parkeerrecht hebben voor het openbare parkeerareaal, kunnen terecht in de vele private parkeervoorzieningen die door de markt worden geëxploiteerd.

Wie betaalt de kosten?
Zoals veel publieke voorzieningen is er geen direct verband tussen het recht op voorzieningen en de kosten die we ervoor betalen. Het is dus goed denkbaar dat wij met z’n allen de kosten voor parkeren betalen via de belastingen. Maar dat hoeft niet. Voor specifieke diensten betalen of betaalden we apart aan de overheid. Wie kent nog de dienst kijk- en luistergelden. Ooit vonden we het onredelijk dat iemand die niet naar de radio luisterde of geen televisie keek wel moest betalen. Een aparte dienst inde geld en controleerde op zwartkijkers. Een ingewikkelde en aparte constructie die jaren geleden is opgegaan in de belastingen. Automobilisten betalen nog wel apart wegenbelasting. Die zouden direct verhoogd kunnen worden met een bedrag van – voorlopige schatting – € 10 per jaar of via het verhogen van de provinciale opcenten. Gemeenten kunnen de kosten via de WOZ – en dus via alle bewoners en bedrijven – verrekenen, maar ook een aparte belasting heffen. Het RDW weet tenslotte in welke gemeente de eigenaar van een auto woont of gevestigd is. Blijft over de discussie over de redelijkheid en hoogte van het tarief. Dat is geen onderdeel meer van het verdelingsvraagstuk, maar uitsluitend nog inkomenspolitiek en die is wat mij betreft voorbehouden aan het openbaar bestuur.

Betalen voor parkeren kan in de toekomst veel eenvoudiger en daarmee vermoedelijk ook goedkoper. Er hoeven immers geen kosten meer gemaakt te worden voor de afhandeling van miljoenen betalingstransacties. Toekenning van parkeerrechten kan zo een onderdeel worden van integraal mobiliteitsbeleid en ontdaan worden van oneigenlijke discussies over inkomenspolitiek. Als het Rijk en de gemeentes samen zorgen voor een nieuw wettelijk kader, is de basis voor een goed mobiliteitsbeleid gelegd. Daarmee zijn we voorbereid op een post-corona tijdperk waarin we weer volop mobiel kunnen zijn.

Deze blog is ook te lezen op de website van Mobiliteitsplatform.

Nooit meer iets missen? Volg ons op Twitter LinkedIn
En meld je aan voor onze nieuwsbrief UPDATE